Interview van de Maand / Maart 1980

'Jij bereikt het nooit, jij haalt nooit het eerste elftal van Ajax!'
Werner Schaaphok blikt terug op zijn jaren bij Ajax

Voetballen deed ik altijd al op het schoolplein. Op een gegeven moment werd ik lid van een club. Het werd VVA, dat was voor mij het dichtste bij, ik woonde aan de Admiralengracht. De drie grote clubs in Amsterdam waren natuurlijk Ajax, DWS en Blauw Wit. Op amateurgebied had je AFC, De Spartaan, Zeeburgia en ook VVA. Deze vier speelden altijd in de hoogste amateurklasse. Bij wedstrijden tussen VVA en AFC zaten rustig 5.000 toeschouwers. Bij VVA speelde mijn eerste idool, Kuki Krol, de vader van Ruud. Hij speelde rechtsbuiten bij VVA. Daarbuiten vond ik Real Madrid een prachtige ploeg, met Ferenc Puskas en Alfredo di Stefano. Bij VVA kwam ik bij de welpen. We speelden op het derde veld waar nog de schapen rondliepen. Voor je kon beginnen moest je ze eerst nog van het veld afhalen! Als kleedkamer gebruikten we een oude tram met twee lange banken. Aan elke kant eentje. Op het voorbalkon kon de scheidsrechter zich verkleden en op het achterbalkon was er een wasbak met koud water. Het vervelende was dat we een trainer hadden die nogal eens niet kwam opdagen. Dat vond ik verschrikkelijk. Dan reden we naar de training om er achter te komen dat meneer in de kroeg zat. Om die reden wilde ik wel naar een andere club.

Na VVA was Blauw Wit voor mij het dichtste bij en jongens op school voetbalden daar ook. Daar wilde ik ook wel heen. Het was mijn vader die toen zei: “Waarom probeer je Ajax niet?” Zo heb ik voor Ajax een proefwedstrijd gespeeld en werd ik aangenomen. Ik moet een jaar of veertien zijn geweest en ik kwam terecht in de B-junioren. Niet lang daarna ging ik naar de A-junioren. Daar speelde ik samen met mensen als Tonnie Pronk, Johan Engelsma en Piet Keizer. We hadden niet echt een trainer in de jeugd, volgens mij hadden we een soort elftalcommissie die de beslissingen nam.

Werner Schaaphok bij de B-junioren van Ajax halverwege de jaren vijftig

Identiteitskaart van Schaaphok van de Afdeling Amsterdam in seizoen 1958/1959

Hoe ik nou precies bij het eerste terechtkwam weet ik niet meer. Maar ik weet wel dat ik aan het einde van seizoen 1958-1959 zou mogen debuteren in een thuiswedstrijd tegen DOS. Ik herinner me dat ik vooraf verschrikkelijk zenuwachtig was en dat was niet alleen vanwege de wedstrijd. Bij Ajax keek je tegen iedereen op. Ik maakte me nog het meest druk over wat ik tegen de spelers moest zeggen. Het was meneer Van Mourik, meneer Anderiessen en meneer Van Drecht. Die durfde ik echt niet bij de voornaam te noemen. Daar had ik echt slapeloze nachten van. Toen ik dan ook hoorde dat ik met het eerste mee zou mogen was ik in eerste instantie heel blij en meteen daarna dacht ik: “Wat moet ik tegen ze zeggen?” Voor de wedstrijd gingen we met de selectie wat eten in een restaurant op het Leidseplein. Humenberger, onze trainer, hield een korte toespraak om je een beetje gerust te stellen. Op een gegeven moment maakte iemand een opmerking waar ik zo hard om moest lachen dat ik gewoon niet meer kon stoppen. Ook dat was gewoon nervositeit natuurlijk.

Maar goed, ik debuteerde dus thuis in De Meer tegen DOS. De uitslag zou ik niet meer weten (4 mei 1959: Ajax-DOS 2-0, red.), maar het ging eigenlijk best goed. Ik speelde de hele wedstrijd als rechtshalf. Dat werd mijn vaste positie. Soms speelde ik linkshalf en soms ook nog wel laatste man, maar meestal speelde ik rechtshalf. Ik herinner me dat bij DOS ene Ockhuizen speelde. Dat was een behoorlijke stevige speler. Op een gegeven moment kreeg ik een ram in mijn maag van hem. Ik had geen lucht en ik ging neer. Verzorger Salo Muller en trainer Humenberger kwamen meteen het veld ingerend. Nog voor ze bij me waren, stond ik alweer. Toen zei Humenberger: “Voor jou kom ik nooit meer het veld op!” In de tweede helft wilde ik die Ockhuizen terugpakken en ik schopte hem finaal onderuit. Blijkbaar had dat op de perstribune wel indruk gemaakt. De volgende dag schreven de kranten dat ik wel aardig had gespeeld, maar dat ik wel mezelf moest blijven en geen onsportieve dingen moest doen. Over het algemeen was ik toch wel een vrij harde speler.

Het seizoen erna, 1959-1960, werden we getraind door Vic Buckingham. Van alle trainers die ik heb gehad heb ik met hem het prettigste gewerkt. Ik herinner mij nog een keer dat ik echt geen zin had in training. Dat kan een keer gebeuren. Op dat moment had ik een sigarenzaak en ik belde dat ik ziek was. Buckingham voelde blijkbaar dat er iets niet klopte en even later stond hij voor de deur. Hij vroeg of ik ziek was en toen kon ik niet liegen. Ik was niet ziek, ik had geen zin. “Mooi, dan zie ik je morgen”, was zijn reactie. Een andere keer moesten we trainen, hij had een grote zak met ballen op zijn rug, legde die neer, en zei: “jongens, ga maar lopen.” Dus wij liepen, en we liepen, en twee uur later liepen we nog! En we zagen die ballen en iedere keer dachten we, nou zometeen gaan we beginnen. Hij blaast op zijn fluit en stuurt ons weer naar binnen. Hij pakte die zak met ballen op en nam hem weer mee. Dat was Buckingham! In het begin van dat seizoen had ik nog geen vaste basisplaats. Tegen het einde van het seizoen kwam ik vast op de rechtshalfplaats in de plaats van Guus van Ham. Het ging vanzelf, ik viel eens voor hem in en ik ben in het elftal gebleven. We leken onbedreigd op de titel af te stevenen. Op een gegeven moment hadden we meen ik zeven punten voorsprong op Feyenoord. Toch ging het nog bijna mis. Ik kan er geen verklaring voor geven. Op de laatste speeldag konden we in de uitwedstrijd tegen Feyenoord kampioen worden als we maar niet verloren. We verloren echter met 3-0 waardoor we in punten gelijk eindigden. Die wedstrijd was op een zondag en de donderdag erop, hemelvaartsdag, stond meteen een beslissingswedstrijd op het programma. De wedstrijd werd gespeeld in Amsterdam in het Olympisch Stadion. We wonnen met 5-1 en waren dus kampioen van Nederland. We kregen allemaal een kampioensbord met onze naam erop en na afloop was er groot feest voor de spelers en begeleiders in hotel Krasnapolsky.

Het elftal van Ajax dat Feyenoord versloeg tijdens de beslissingswedstrijd om het landskampioenschap in seizoen 1959/1960

Ik was helemaal kapot na die wedstrijd. Ik had zelden of nooit kramp. Maar die avond, tijdens een speech van Elzenga, de secretaris, kreeg ik ineens kramp in mijn hele onderlichaam. Ik schreeuwde het uit van de pijn! Dat staat me nog heel goed bij. Later die avond ben ik nog de stad in gegaan. Na het kampioenschap organiseerde de KNVB een aparte competitie tussen Ajax, Feyenoord en PSV om te bepalen wie er Europacup 1 mocht spelen. Ik kan mij van dat toernooi niets meer herinneren. De gebeurtenissen volgden elkaar zo snel op in die tijd. Het bleek ook niet van belang want de UEFA bepaalde dat wij als kampioen gewoon in de Europacup 1 zouden uitkomen.

Wij lootten in de Europacup tegen Fredrikstadt, de kampioen van Noorwegen. Niet dat we er gemakkelijk over dachten, maar we dichtten onszelf toch wel een behoorlijke kans toe om door te komen. In Noorwegen verloren we dan wel met 4-3 maar de verwachting was toch dat we het thuis wel af zouden kunnen maken. Eén doelpunt zou immers genoeg zijn. Vlak voor de thuiswedstrijd moesten Cees en Henk Groot echter afhaken wegens familieomstandigheden. Dat was een aderlating. We kwamen niet verder dan 0-0 en waren uitgeschakeld. Henk Groot heeft later nog wel eens laten weten dat hij vond dat een aantal Ajacieden de wedstrijden, met name die in Noorwegen, niet professioneel benaderde en dat Ajax daardoor er had verloren. Ik begrijp dat niet zo goed. Zelf hield ik ook wel van uitgaan, maar niet vlak voor de wedstrijd en ik was ook nooit dronken op de training of iets dergelijks. De avond voor de wedstrijd in Noorwegen zijn een aantal spelers volgens mij wel even weg geweest inderdaad. Ja, dat moet haast wel, want Donald Feldmann heeft daar in Noorwegen zelfs zijn latere vrouw leren kennen! Al met al was het een hele belevenis om naar Noorwegen te gaan. Buitenlandse reizen hadden we niet zo vaak. In de jeugd zijn we dan wel een keer naar Zuid-Frankrijk gegaan maar ook dat was echt een belevenis. Hoewel ik ontzettend uitkeek naar de reis, was het niet zo dat Fredrikstadt een wedstrijd was waar je tegenop zag. Helaas werden we dus toch uitgeschakeld. We wonnen dat seizoen wel de KNVB-Beker in een finale tegen NAC.

Ajax in Noorwegen voor het Europa Cup-duel tegen Fredrikstadt. Op de voorgrond in het midden zittend, Werner Schaaphok

Opmerkelijk in dat seizoen was de wedstrijd uit bij Feyenoord, we verloren met 9-5. Volgens mij namen zij een corner die in één keer het doel in vloog. In die wedstrijden, met die hoge scores was je eigenlijk gelijkwaardig. Het had bij wijze van spreken net zo goed 9-5 voor ons kunnen worden. We werden geen kampioen, hoewel we dat seizoen toch meer dan 100 doelpunten maakten. We hadden een wel heel productieve voorhoede, met Cees Groot, Henk Groot, Sjaak Swart en Piet Keizer. Ik denk dat Piet Keizer de beste speler is waarmee ik heb samengespeeld. Of misschien was het toch Sjaak Swart, of Henk Groot? Met Piet Keizer ben ik ook persoonlijk lang bevriend geweest. Ook met Peet Petersen kon ik het goed vinden, maar met Keizer ging ik het meeste om. We gingen vaak samen stappen.

Op 14 juni 1961 speelden we de bekerfinale, en vlak daarna begonnen we al aan de intertoto. Hoewel we in vier competities uitkwamen en geen zomerstop hadden gehad, voelden we geen extra vermoeidheid. Het leverde de club extra geld op maar ik geloof niet dat wij daar veel van merkten. We kregen altijd iets van FL 5,- per training en FL 40,- per punt. Volgens mij was dat voor de intertotowedstrijden niet anders. Een jaar later bereikten we de finale van datzelfde toernooi. De finale was in het Olympisch Stadion, uitgerekend tegen Feyenoord. Op dat moment was Feyenoord eigenlijk de betere ploeg, ze waren de kampioen van 1961 en 1962. Desondanks kwamen ze er in de finale niet aan te pas. In de reguliere competitie hadden we twee keer van Feyenoord verloren. Maar een vol Olympisch Stadion gaf toch een extra kick. Als je in de catacomben stond kon je voor de wedstrijd al door de luiken naar boven kijken en dan zag je hoe vol het was en dan voelde je je sterk. De prijsuitreiking was niet op het veld, dat was volgens mij ergens in de foyer. De finale tegen Feyenoord was kort voor de Europacupfinale tussen Benfica en Real Madrid. Volgens de Amsterdammers die beide wedstrijden hadden gezien, was onze wedstrijd veel mooier en beter.

Het elftal van Ajax na de winst van de Intertoto, Ajax - Feyenoord 4-2 in 1962. Op de voorgrond zittend, Werner Schaaphok

Ajax-selectie van seizoen 1964/1965 nog vóórdat Johan Cruijff zou debuteren. In de selectie onder meer Ton Pronk, Klaas Nuninga, Piet Keizer, Theo van Duivenbode en Werner Schaaphok

In die tijd stond er eens een artikel in de krant met als kop: “Waarom ook Schaaphok niet?” Het ging erom waarom ik nooit eens voor het Nederlands Elftal werd opgeroepen. De reden is simpel, ik ben geen Nederlander, maar een Duitser. Mijn echte ouders waren beiden Duitsers en ik ben geboren in Berlijn. Na de scheiding van mijn ouders is mijn moeder hertrouwd met een Nederlander, Schaaphok. Toen is ze naar Amsterdam gekomen. Officieel is mijn achternaam ‘Glanz’ maar iedereen noemde mij vanaf dat moment al ‘Schaaphok.’ Ik zat wel tegen Oranje aan, want bondscoach Schwartz is nog wel bij mij geweest om te vragen of ik Nederlander wilde worden. Achteraf is het verschrikkelijk stom dat ik het niet heb gedaan. Ik zag echter bij Sjaak Swart en Bennie Muller dat ze in militaire dienst moesten. Ze moesten heel veel moeite doen om op zondag te kunnen voetballen. Ik zag mezelf niet in een militair pak lopen en al die toestanden zoals de wacht afkopen, daar zat ik ook niet op te wachten. In Duitsland hoefde ik niet in dienst. Dus ik heb het niet gedaan. Achteraf denk ik, stom. Zeer waarschijnlijk had ik in het militaire elftal gespeeld en dus ook veel internationale wedstrijden gespeeld. Bovendien had ik dan waarschijnlijk ook in Oranje gespeeld! Interesse kwam er niet alleen van de bondscoach maar ook wel eens van andere clubs. Sparta heeft wel eens naar mij geïnformeerd maar Ajax vroeg meer dan FL 200.000,-. Dat was voor Sparta veel te veel. Toch wel grappig als je daarover nadenkt. Toen ik nog in de jeugd van Ajax speelde, zei Wim Jesse, sportjournalist, eens tegen mij: “jij bereikt het nooit, jij haalt nooit het eerste elftal van Ajax!” Hetzelfde schijnt hij ook ooit tegen Bennie Muller te hebben gezegd.

Ik ben één keer uit het veld gestuurd. Het was het seizoen dat PSV kampioen werd, 1962-1963. Ik had een akkefietje met Fons van Wissen, dat vergeet ik niet meer. We speelden uit tegen PSV. Elke keer dat ik de bal had, stond hij van achteren tegen mij aan te trappen. We stonden vlak voor de hoofdtribune toen het gebeurde. Dat schoppen ging mij op een gegeven moment zo irriteren dat ik mij omdraaide en hem een ‘cake’ gaf. Dat zag de scheidsrechter natuurlijk en ik kon verdwijnen. Dan voel je je ellendig hoor. Ik dacht dat die hele PSV-tribune op me afkwam! Dan moet je langs die tribunes naar de kleedkamer, wat een verschrikking! Ik werd toen vier wedstrijden geschorst terwijl ik daarvoor zelfs nog nooit een waarschuwing had gekregen. Dezelfde scheidsrechter hadden we in het begin van het volgende seizoen weer. Op dat moment was ik aanvoerder van Ajax. Hij verontschuldigde zich toen nog omdat hij ons allebei eruit had moeten sturen, maar ja Van Wissen werd kampioen en die heeft hij toen maar laten staan. Ik speelde toch elk seizoen een flink aantal wedstrijden. Wat ik net vertel was een incident. Verder was ik bijna nooit geschorst of geblesseerd. Een enkele keer deed ik niet mee, vanwege angina, keelontsteking. Van een dokter uit Diemen kreeg ik pillen en dan moest ik in dat gymzaaltje beneden in De Meer als een gek rondjes lopen en oefeningen doen om die koorts weg te krijgen. Een hele tijd lang heb ik wel veel last gehad van mijn lies, maar dat wist bijna niemand. Ik heb toen daar nog injecties tegen gehad. Dat kwam door een wedstrijd op nieuwjaarsdag tegen Volendam. Het veld was slecht, de ballen waren hard en op oudjaarsavond was ik ook niet echt vroeg naar bed gegaan. Door dat alles moet ik tijdens die wedstrijd (Volendam-Ajax 4-3; 1/1/61, red.) een liesblessure hebben opgelopen. Vlak na de wedstrijd kon ik nog nauwelijks de trap op komen. Maandag zwakte het alweer af en op dinsdag was het weer weg, en dat ging zo de hele week. Tijdens de wedstrijd had ik de laatste 5 of 10 minuten last en dan begon het weer opnieuw. Dat is zo echt heel lang doorgegaan, week in, week uit. Tot het op een gegeven moment vanzelf weer is overgegaan.

Midden jaren zestig werden de resultaten van Ajax wat minder. Misschien dat het te maken had met de problemen die spelers als Henk Groot, Bennie Muller en Sjaak Swart hadden met hun contracten. Zelf heb ik daar nooit bij stil gestaan. Ik speelde gewoon, ik was semi-prof, had mijn sigarenzaak, en wat ik van Ajax kreeg was mooi meegenomen. Eigenlijk heb ik mij nooit afgevraagd of ik wel of niet een goed contract had.

In 1963-1964 scoorde ik mijn enige doelpunt in een officieel duel. Het was thuis in De Meer tegen Heracles. (6 oktober 1963; Ajax-Heracles 7-0, red.) Ik scoorde met een kopbal à la Bep Bakhuys. Na dat doelpunt heb ik het even koud gehad. Zoals gebruikelijk na een doelpunt werd er gejuicht, we feliciteerden elkaar en we liepen terug naar de middenstip. Vervolgens was het even stil, maar daarna kreeg ik van het publiek een staande ovatie. Dat was iets heel speciaals.

Werner Schaaphok evenaart Bep Bakhuys met een lage kopgoal

Schaaphok blijft heel stil liggen terwijl de Heracles-verdediging treurt om weer een tegentreffer

Op de achtergrond juicht Schaaphok's medespeler Cees Groot. Het publiek zou pas later een staande ovatie geven.

Ook in het laatste jaar van Vic Buckingham hadden we toch geen slechte ploeg en goede spelers. We speelden niet slecht, maar toch verloor je veel wedstrijden. Eind 1964 debuteerde Johan Cruijff in Ajax-1. Ik ging met hem ook heel goed om. Het Ajax-bestuur vroeg mij zelfs of ik hem eens mee de stad in wilde nemen om er een beetje een kerel van te maken. Grappig was het dat toen een jaar later Klaas Nuninga kwam, ik weer bij het bestuur moest komen. Nu vroegen ze mij, omdat Nuninga een leraar was uit Groningen, of ik juist wat rustiger aan wilde doen en mij een beetje wilde inhouden. Nuninga was de eerste aankoop van voorzitter Jaap van Praag. Later heb ik nog een tijdje in een van de winkels van Van Praag op Schiphol gewerkt. Ik weet nog wel een leuke anekdote over Jaap van Praag. Voorafgaand aan de wedstrijd gingen we altijd samen eten. Je ging dan op eigen gelegenheid naar het Ajax-stadion. Om een of andere reden was ik wat later. Toen kwam Van Praag binnen en die maakte een opmerking in de trant van: “jij ook altijd met je wijven” of iets dergelijks. En voordat ik er erg in had zei ik: “jij bent zelf anders ook aan je derde bezig!” Tsja, dat zeg je eigenlijk niet tegen de voorzitter hè?

Buckingham moest halverwege het seizoen vertrekken en Rinus Michels was zijn vervanger. Het ging echter niet zo lekker tussen Michels en mij. Mijn schoonvader indertijd was aannemer, en ik zou naar de aannemersschool gaan. Dat heb ik gedaan, en ik ben niet naar de training gegaan. De volgende keer op de training zag ik op het bord: “Schaaphok veertien dagen geschorst.” Dus ik klopte aan op de deur van de kamer van Michels, tegenover de kleedkamer. Ik kon niet eens wat zeggen. Het was ‘oprotte.’ Ik was ontzettend gekrenkt. Ook hield ik van stappen, hoewel ik wel elke zaterdag op tijd naar bed ging. Maar op vrijdagavond gingen Piet Keizer en ik lekker een biertje halen. Ik had wel de naam van ‘stapper.’ Ook dat ging niet bij Michels, dus ik kwam op de reservebank, en dat beviel me helemaal niet. Uiteindelijk is er van school ook niets terechtgekomen.

De eerste helft van het slechte seizoen 64-65 had ik alles gespeeld. In de tweede seizoenshelft kwam Michels en kreeg ik dus die schorsing van veertien dagen, wat me mijn plaats in het elftal kostte. Frits Soetekouw kwam op mijn plaats en vormde het verdedigingsduo samen met Tonnie Pronk. Ik zat een half jaar op de bank en bleef erop zitten want het elftal ging beter draaien en er raakte niemand geblesseerd. Dus ik zat daar maar op de bank. Ja, ’s zaterdags met het tweede spelen. Ik vond het verschrikkelijk.

Werner Schaaphok en Piet Keizer tijdens seizoen 1962/1963

Tot aan de kerst waren er geen blessures, het elftal won, en ik kwam er niet meer aan te pas. Toen kon ik naar Blauw Wit, waar Spurgeon trainer was. Als oud-trainer van Ajax kende hij mij natuurlijk goed. Ik was nog geen week weg of de een na de andere verdediger van Ajax raakte geblesseerd. De tweede helft van het seizoen 1965-1966 speelde ik dus voor Blauw Wit, waarna ik naar AGOVV vertrok in Apeldoorn, weer samen met Spurgeon. Dit ondanks het feit dat ik terug kon naar Ajax, maar Spurgeon nam mij mee naar AGOVV. Ajax wilde mij wel terughebben, maar ja, ik was eigenwijs en ik wilde niet meer. Achteraf denk ik wel eens: “Was ik maar teruggegaan.”

In Apeldoorn heb ik bijna één seizoen gespeeld. In het voorjaar van 1967 kreeg ik een telefoontje en kon ik naar de Chicago Mustangs. Binnen enkele dagen was alles geregeld. Tickets lagen klaar, en ik kon binnen een week daar beginnen. Ik ben toen naar Spurgeon toegegaan om het hem te vertellen. Hij zei meteen dat ik moest gaan. Het bestuur wist nog van niets en zo ben ik ‘met stille trom’ vertrokken. Mijn transferbedrag van FL 81.000,- was meteen de redding voor het noodlijdende AGOVV.

Het verschil in beleving tussen Amsterdam en Apeldoorn was eigenlijk niet zo groot. Het verschil tussen Nederland en Amerika was vele malen groter. De training, het vliegen, de reizen, artsen, alles was daar zeker al vijf jaar verder dan hier. Plotseling zat ik in Chicago. Wat een avontuur! Ik woonde midden in het centrum in een hotel. Ik durfde in het begin de deur niet eens uit. Als ik een stuk over straat liep, dan dacht ik, laat ik maar weer naar mijn hotelkamer gaan, ik ga wel weer TV kijken. Er waren niet veel Europeanen, wel veel Thailanders. Bij Chicago was ik de enige Nederlander. Ik kwam wel Co Prins tegen die toen voor New York speelde, Bertus Hoogerman kwam ik tegen in Kansas. Er waren heel weinig Nederlanders. Kees Smit, mijn oud-ploeggenoot bij Ajax speelde in Pittsburgh. Hij speelde ook nog in de intertotofinale van 1962. Ik heb uiteindelijk zo een twee jaar in Amerika gespeeld. Mijn vrouw en kind zijn een tijd in Amerika geweest. Haar ouders misten haar en hun kleinkind. Zij zijn toen teruggegaan en in Nederland gebleven. Dat voorbeeld heb ik uiteindelijk maar gevolgd. Als sportman heb ik toch een heel mooie tijd daar gehad. Een sportman in Amerika, daar wordt tegenop gekeken hoor! Ik werd eens aangehouden op de snelweg wegens te hard rijden. Nadat we even hadden gepraat kwam eruit dat ik voetbalde voor Chicago Mustangs. Oh! Dat veranderde de zaak! Of ik volgende keer dan maar wat rustiger wilde rijden en ik mocht weer verder.

Na mijn Amerikaanse tijd probeerde ik nog bij DWS of Blauw Wit te gaan voetballen. Ik had echter nog een contract bij Chicago. Beide clubs konden of wilden de transfersom niet betalen. Dan zou ik maar bij de amateurs van De Spartaan gaan spelen, waar ik toch al meetrainde. Toen kwam echter het bericht dat ik wereldwijd twee jaar was geschorst door de FIFA omdat ik nog onder contract stond bij Chicago Mustangs. Zelfs voor een amateurclub mocht ik niet uitkomen. Zo kwam er in 1969 een vrij abrupt einde aan mijn loopbaan. Nu heb ik twee versleten knieën en voetballen zal niet meer gaan, maar ik heb zeer zeker genoten als voetballer!

<<< Terug naar startpagina