Interview van de Maand / Januari 1983

‘Sport verbroedert, maar als je stopt gaat iedereen zijn eigen weg’
Jan Ditmeijer, de zingende sopraan van Ajax

In 1950 ben ik bij Ajax gekomen. In 1960 heb ik nog in de Revue gezongen. In 1956 werd ik twee keer geopereerd aan een voetbalknie, daarna begon het betaalde voetbal en daar kreeg ik van Luuk Bijker een trap tegen mijn goede knie. Hij speelde toen voor AFC, bij het A.R.O.L.-toernooi. Hij schopte precies op mijn goede knie en toen was het gebeurd. Ik heb in de kleedkamer zitten huilen, in mijn uppie. Dat ik er weer uit moest, weer geblesseerd was. Het is me ook nog ooit gebeurd in het Olympisch Stadion. Kopbal, ik omhoog en toen ik weer neer kwam ging ik er door heen. Ik was 18 jaar toen ik voor het eerst last kreeg van die voetbalknie, toen speelde ik nog in de Spartaan. Daar ben ik begonnen toen ik 11 jaar was. De Spartaan was toen een heel bekende Amsterdamse club, op de Volendammerdijk vlak bij DWS.

Ik was pas 16 jaar toen ik voor het eerste elftal speelde, ik kon wel een beetje voetballen. De Spartaan speelde Tweede Klas, maar het was toentertijd toch een gerenommeerde vereniging. Epie Wester speelde daar, die heeft later ook nog bij Ajax gespeeld, Jantje Bos, we speelden aldoor bovenin en zijn ook kampioen geworden in een competitie met AFC en DWV. Je was toen ingedeeld in districten, ik weet nog dat we naar Oosterparkers moesten, en Achilles uit Assen, Haarlem natuurlijk. Toen ben ik bij Ajax terecht gekomen en ik hoefde geen proefwedstrijd te spelen. Ik had in mijn jeugd ook al vaak tegen Ajax gespeeld, tegen Cor van der Hart want die stond spil en ik stond middenvoor of rechtsbuiten, ook wel eens rechtsbinnen. Je had toen 5 man in de voorhoede, en heel ander systeem. Pingelen is intuïtief, daar denk je niet bij na, dat gebeurt gewoon.

Jan Ditmeijer in Ajax 1 tijdens Ajax - Wageningen (0-0) dd 24 januari 1954

Op 6 september 1953 zoeken de spelers van Ajax en Heracles, waaronder uiterst rechts Jan Ditmeijer, verkoeling tijdens de wedstrijd in het Olympisch Stadion. Eindstand: 3-1 voor Ajax

Ik kende de jongens die bij Ajax speelde al. Het was de tijd van Theo de Groot, die speelde toen in de Ajax Junioren, Van Mourik zat daar natuurlijk ook in, Pieters Graafland, Wim Anderiesen, met al die gasten heb ik gespeeld. Wij woonden in een buurt in Amsterdam, en daar kwamen diverse jongens vandaan die goed konden voetballen. Cor Geelhuizen, Henk Elzer, die woonden allemaal in de buurt van de Willem De Zwijgerlaan, Joop Galstra,Wim van der Zeys.

We kennen die namen van het voetbal, maar wat waren het voor jongens?

Daar denk ik ook wel eens over, hoe was dat eigenlijk? Ik was een pingelaar, in de goede zin van het woord weliswaar, maar hoe manifesteerde ik me? Ik was niet echt verlegen, maar toch een beetje aan de verlegen kant. Maar die vraag gaat wel eens door mijn hoofd: hoe speelde ik eigenlijk? Want ik kan het aan niemand meer vragen. Nu kun je alles terugzien, maar vroeger was dat er niet.

Hoe zag zo'n dag eruit, toen u nog bij de jeugd voetbalde?

In de jeugd speelde ik bij De Spartaan, je speelde op zondagmorgen. Je kreeg te horen waar je moest verzamelen, dat ging nog allemaal op de fiets, weer of geen weer. En dan had je de pé in als het niet doorging. Nu worden ze in de watten gelegd, dat hebben wij nooit meegemaakt. Je kent die verhalen nog wel, zware ballen met nat weer, zware sloffen, een veter in de bal. Maar dat was toen, je wist niet beter. Het is nu allemaal zo veranderd, als ik zo'n bal zie dan denk ik: dat lijkt ook nergens op. Maar vroeger verzamelde je op een plein, allemaal van die jongetjes. Dat was best wel leuk en er was ook geen alternatief.

Later toen ik bij Ajax speelde moest ik eens optreden. Theo de Groot had een confectiefabriek, en met hem kon ik mee terugrijden want dan was ik nog op tijd. Zijn auto, dat is me altijd bijgebleven, was een Jaguar. De meeste uitwedstrijden bereikte je per bus, soms ook met de trein. Je had toen ook katholieke clubs, christelijke clubs zoals ZFCO en DOSS, en die spelers moesten eerst nog naar de kerk. Maar je hebt nu ook nog spelers die niet spelen uit religieuze overwegingen. Die spelen dan niet op zondag, kijk maar naar Spakenburg. Er werd vroeger wel meer waarde gehecht aan het geloof, maar het lag toch ook wel aan de plek waar je opgroeide.

Jan Ditmeijer in de verdediging tijdens Haarlem - Ajax (2-0) dd 25 april 1954

Op 6 september 1953 scoort Jan Ditmeijer één van zijn weinige Ajax-goals in het thuisduel met Heracles (3-1)

De spelers die in de jaren '50 bij Ajax gespeeld hebben vormen nog steeds een heel hechte club.

Ja, dat is echt uniek in de voetbalwereld. Dat zal moeilijk te continueren zijn, omdat je nu veel meer met buitenlanders te maken hebt. Ik heb nog met Rolf Leeser en Hans Boskamp gespeeld. Dat is allemaal uit die generatie. Mijn broers kwamen altijd kijken, mijn oudste broer voetbalde zelf ook. Hij heeft in het Amsterdams Elftal gespeeld, in het Olympisch Stadion. Hij speelde toen ook bij De Spartaan, later speelde hij bij DWS. Er was toen een gezonde rivaliteit tussen de Amsterdamse clubs. Maar dat had je ook binnen gezinnen, de een was voor Feyenoord, de ander voor Blauw Wit, DWS of Ajax. Maar dat was wel leuk, die tegenstellingen. Dat gaf toch stof om over te praten, en het hield je scherp. Pa Bon was de voorzitter van de Amsterdamse Voetbalbond, stond ook een langs de kant van het veld en ik hoorde hem tegen mijn broer zeggen: "Die broer van je, dat is geen voetballer, dat is een goochelaar." En dat is natuurlijk wel leuk om te horen.

Ik was geen avonturier op het veld, je had min of meer toch wel je plek. Maar het was niet zo dat je, net als nu, met opdrachten het veld in ging. Kijk, als je in het eerste van Ajax komt dan moet je wel kunnen voetballen, anders kom je er niet in. Want de concurrentie was ook groot toentertijd. Je had dan wel een voorhoede van 5 man, maar er waren wel 10 spelers die er voor in aanmerking kwamen om daar te spelen.

Ik wisselde wel eens af met Rolf Leeser, als rechtsbuiten. Met Rinus Michels, Gé van Dijk, Ger van Mourik, Wim Anderiesen, met die jongens, en dan Eddy Pieters Graafland. En met die jongens heb je nu nog een leuke band. We kwamen toen al bij elkaar. Je zag elkaar op feestjes, en ik mocht dan optreden, maar dat is dan ook mijn beroep geweest. Na het voetbal ben ik daarmee doorgegaan. Ik deed mee aan een concours in België, en daar won ik een prijs. Ik heb veel voor de radio gezongen, met het Metropool Orkest. En ik heb ook les gegeven op het Conservatorium. Dat was natuurlijk wel heel iets anders, zeker voor een voetballer. Ik kwam echt in de klassieke muziek terecht. Met het 60-jarig Jubileum van Ajax heb ik in Bellevue ook nog in de Revue gezongen. Jammer genoeg is dat niet opgenomen, er is niks van bewaard gebleven.

Ajax-spelers Guus Dräger, Jan Ditmeijer en Joop Stoffelen met hun vrouwen val vóór hun optreden tijdens de Revue in het kader van Ajax' 60-jarig jubileum

Optreden van de spelers met vrouwen

Jan Ditmeijer maakt ook grote furore als sopraan

Iedereen had toentertijd nog zijn eigen baan naast het voetbal?

Ja, natuurlijk, het voetbal was toen nog puur amateuristisch. Ik was net van school af, en toen ben ik op het Kantongerecht gaan werken, en bij de Belastingdienst. En De Nederlandsche Bank, daar ontmoette ik Gerard van Dijk, hij werkte daar en ook zijn vrouw Edith werkte er. Daar hebben we nog steeds een goed contact mee. Je zat toch in één vereniging, en dat schiep een band. Sport verbroedert. Als je stopt gaat iedereen zijn eigen weg.

<<< Terug naar startpagina