Interview van de Maand / November 1981

‘We gingen met drie of vier invallers naar Feyenoord toe en wonnen die wedstrijd met 5–0’
Wim Anderiesen jr mocht bij Ajax in zijn vaders voetsporen treden

Mijn vader en oom Henk hebben in 't Gooi gevoetbald. Hoe ze daar terecht kwamen weet ik nog steeds niet. Maar met Dolf van Kol, en nog enkele anderen die daar voetbalden zijn ze naar Ajax gestapt. Het waren Amsterdammers, daarom is het ook zo gek dat ze bij 't Gooi speelden. Het was nog in de echte amateur-tijd, en waarschijnlijk is gevraagd of ze daar kwamen spelen. Ajax had toen al meer uitstraling, zoals het nu nog altijd is. Er werd thuis praktisch niet over voetbal gesproken. Maar dat was in 1925, en ik ben in 1931 geboren. Ik weet nog wel dat we naar De Meer gingen, ik was toen een jaar of 6-7, en dan gingen we altijd met een taxi. Dat was hartstikke chique. Maar ik heb het altijd als heel normaal ervaren dat hij bij Ajax speelde. Het was nog in de amateur-tijd, er werd nog niks betaald. Maar in de crisistijd, mijn vader voetbalde toen bij Ajax, heeft hij wel werk gehad, dat was wel een voordeel. Hij is eerst politieagent geweest, maar daar is hij weggegaan omdat de politie hem verplichtte om bij de voetbalclub van de politie te spelen. Dat heeft hij een jaar gedaan, voor zijn job natuurlijk. Toen hebben ze hem een job kunnen gegeven bij de Nederlandsche Bank, en zo is hij eigenlijk bij Ajax terecht gekomen. Hij moest soms zelfs werken bij voetbalwedstrijden van Ajax terwijl hij daar eigenlijk moest voetballen. Later hoefde hij dat niet meer, toen kreeg hij altijd vrij.

In de jaren '30 was Wim Anderiesen sr aanvoerder van Ajax 1

Het legendarische Ajax-elftal uit de jaren '30 met naast Wim Anderiesen sr, ook o.a. Dolf van Kol, Piet van Rheenen, Wim Volkers en keeper Jan de Boer

Kwamen de spelers ook bij u thuis?

Ik ken Piet van Dijk, omdat hij naderhand nog leider is geweest bij Ajax, toen ik in Ajax speelde. En Jan Schubert, waar hij mee gevoetbald heeft, die zat in de Technische Commissie, en ome Henk ook. Die zat ook in de Technische Commissie, en hadden dus wat te vertellen over het elftal. En Wim Volkers, dat is ook een oude voetballer geweest, hij is nog voorzitter geweest in mijn tijd. En zodoende kende ik hem ook, want als voetballer zegt hij me weinig. Maar Jan Potharst bijvoorbeeld, die heeft heel kort nog met mijn vader gespeeld en daar heeft hij het nog steeds over. Ik heb ook met Jan Potharst gevoetbald, en met Guus Dräger. Mijn vader heeft ook in het Nederlands Elftal gespeeld, toen speelde Guus nog niet bij Ajax maar bij D.W.S., en later is hij overgegaan naar Ajax. Daar hebben ze nog een jaar samen gespeeld. Mijn vader heeft ook een WK gespeeld. Dat was in 1934 in Rome, ik moet zeggen dat dat toch wel een gekte was. Er was toen nog een heel andere indeling, je had geen poules.

In de dertiger jaren is uw vader meerdere malen kampioen van Nederland geworden met Ajax.

Hij is 10 keer kampioen geworden in de afdeling, en 5 keer Landskampioen. In de 15 jaar dat hij bij Ajax speelde heeft hij met een heleboel bekende spelers samengespeeld. Men speelde toen in een ander systeem, ze hadden maar 1 systeem: aanvallend spelen. De kanthalfs dekten de buitenkant, de backs het middenveld. De spil was de man waar het spel altijd begon. Hij ontving de bal en gaf dan aan hoe de aanval zou lopen. Hij was de verbindingsspeler. Dan had je nog een links- en een rechtsbinnen. En dan nog de rechtsbuiten, middenvoor en de linksbuiten. Mijn vader speelde centraal, hij was de spil. Het is een systeem dat werd gespeeld tot vlak na de oorlog. Ik heb het ook nog in de jeugd gespeeld, maar toen is alles in een versnelling gekomen. Je kreeg het stopper-spil-systeem, toen kreeg je het 4-2-4-systeem, het kwam allemaal heel vlug achter elkaar, en ik heb dat allemaal nog meegemaakt. Ome Henk speelde back, of als halfspeler. Of hij links of rechts speelde weet ik niet meer. Ze hebben 7 jaar samen gespeeld en hij heeft ongeveer net zoveel wedstrijden gespeeld als ik. Kijk, we zijn kampioen geworden in 1931, 1932, 1934, 1937 en 1939. Toen ik voor het eerste keer kampioen werd was dat de 9de keer voor Ajax. Ome Henk is nog een tijdje weg geweest bij Ajax, hij werkte toen in de kolenmijnen. We hadden toen Gerrit Keizer als keeper, dat was een hele goeie. Die heb ik ook nog in de Technische Commissie meegemaakt. Hij keepte ook voor Arsenal, hij ging 's zaterdags in Engeland voetballen en 's zondags ging hij weer naar Ajax. Dat kon toen allemaal nog. Gerrit was aardappelboer en stond op de markt, dat was in de oorlog wel makkelijk omdat hij altijd wat af te schuiven had. Dat waren waardevolle contacten. Wim Volkers heb ik alleen meegemaakt als voorzitter, maar ook maar voor een korte periode, hij had een hele hoge positie bij Heineken. Toen ik op de lagere school zat, ik was een jaar of 12 of 13, en dan vroegen de jongens of ik een handtekening mee wilde brengen. Daar begon ik een handeltje mee, ik verkocht ze voor een stuiver. Totdat pa het doorkreeg natuurlijk.

Ajax was bezig met een buitenlandse reis, en uw vader moest toen eerder vertrekken.

Dat was met een interland, tegen Denemarken. Dat was zijn eerste interland. Ze waren op toer met Ajax en hij werd opgeroepen voor het Nederlands Elftal. Toen is hij van Oostenrijk naar Nederland teruggereisd, en toen weer op eigen houtje naar Denemarken.

In feite weet ik van Henk Anderiesen niet zoveel te vertellen, dat zijn allemaal verhalen uit mijn eigen jeugd. Pa en ome Henk hebben gevoetbald bij een klein kluppie, en ze waren nogal gelovig zoals bij zoveel gezinnen. Ze mochten op zondag niet voetballen, dat was een probleem. Maar dat probleem kon je oplossen door je spullen bij een vriendje te brengen, die moeder waste het wel, en dan ging je zondags daar naar toe, en dan naar het voetballen. Toen ze bij Ajax speelden moest dat ook op zondag, maar toen waren ze alweer wat ouder. Toen waren hun ouders zo trots als een aap.

Wim Anderiesen sr (links) kijkt toe hoe keeper Jan de Boer de baas is in het strafschopgebied van Ajax

Naast zijn rol als voetballer van Ajax was Wim Anderiesen sr ook actief als politieagent

Voetbalden jullie veel op straat?

Altijd! Als je van school kwam was het meteen: huppatee, meteen voetballen. Voetballen, je deed niks anders. Er stonden geen auto's langs de weg, want niemand reed nog een auto. Dat was er in die tijd nog niet, dus je had de ruimte, midden op de weg kon je voetballen. Als er eens iemand langs kwam ging je even aan de kant. Je moest alleen uitkijken, wij hebben dat ook meegemaakt, voor de politie. Die pakte je bal af, want je mocht niet voetballen op straat. Natuurlijk werd dat toch gedaan, en de politie kwam pas als er geklaagd werd. Bij ons in de straat had je vroeger een politiebureau, mijn vader kende de meeste agenten die er werkten. Toen hebben ze een keer al die jongens opgepakt, die zijn allemaal in de gevangenis terecht gekomen. Ging de politie de ouders langs om te zeggen dat hun zoon in de cel zat. En ik was de laatste! Toen zei mijn vader: "Laat hem maar lekker zitten."

Kreeg je vroeger een trofee of iets dergelijks als je Landskampioen werd?

Ik ben twee keer kampioen geworden, maar ik kan me niet herinneren dat ik iets gekregen heb. Meestal kreeg de voorzitter dat aangereikt, de spelers niet, die lopen dan allemaal bij elkaar.

In het begin van de Tweede Wereldoorlog ging de voetbalcompetitie door.

Behalve in 1944-45, toen hebben we niet gespeeld. Dat was toen een heel slechte winter. Er was weinig eten en de mensen had andere zorgen.

Wanneer bent u bij Ajax gekomen?

Ik was 15 jaar, dus in 1946, vlak na de oorlog. Tijdens de oorlog kwamen we wel eens een enkele keer bij Ajax kijken, mijn vader was erelid. Hij had dus een diploma, zo heette dat. Je hebt als jonge jongen niet zo in de gaten dat er een oorlog aan de gang is. Ik was 8 jaar toen de oorlog begon. Je beleeft die tijd dan als een soort avontuur, je mocht ook zoveel dingen die je nu niet meer mag. De Meer was tijdens de oorlog ingenomen door de Duitsers. Dat nazi-teken stond ook op de grote vlaggen die er hingen. Dat was geen prettig gezicht. Ajax heeft er niet alle oorlogsjaren gevoetbald, ik weet me ook niet meer te herinneren hoe dat was, of er veel publiek kwam kijken als Ajax speelde. Maar er zullen weinig mannen geweest zijn, zeker weinig jonge mannen. Met het voetballen op straat moest je ook voorzichtig zijn, want er kon altijd een razzia zijn. En daarom gingen mensen ook niet zo graag naar het voetbal. En als er een luchtalarm kwam dan moest je weg, dan werd de wedstrijd gestaakt. Na de oorlog heb ik nog 1 seizoen bij een buurtclub gespeeld, maar ik heb vrij snel overschrijving aangevraagd naar Ajax. Ze kwamen steeds vragen of ik bij hun kwam. Al mijn vriendjes zaten bij Ajax, en dat vond je toch belangrijker. Er was ook nog een andere oorzaak dat ik niet direct naar Ajax ging. Wij vonden dat ze mijn vader niet zo netjes behandeld hadden, en dat kregen we dus ook mee van onze moeder. Dat kwam zo: mijn vader had 15 jaar bij Ajax in het eerste gespeeld en toen hadden ze hem erelid gemaakt. Maar pa wilde heel graag een afscheidswedstrijd spelen in De Meer die toen nog nieuw was. En later hebben ze gevraagd of hij trainer wilde worden. Daar had hij wel zin in want dat vond hij wel leuk. Hij vroeg toen wat de vergoeding was, en het bestuur zei toen: "Vraag jij een vergoeding van ons??" Ze wilden wel voor niks op de eerste rij zitten. Maar zo doe je dat niet. Ajax ging toch slecht met zijn mensen om. Als je er niet meer was, was je niet meer belangrijk. Dat was wel een beetje de arrogantie. Want het zijn de spelers die de club maken, en niet het bestuur. Dat denken ze soms, hoor.

Voorzitter Marius Koolhaas (met bloemen) bedankt Wim Anderiesen sr en zijn vrouw voor hunn bewezen diensten voor Ajax

Eind jaren '30 komt zoon Wim Anderiesen jr in aanraking met de voetbalsport

Op het pleintje bij hen thuis kreeg Anderiesen jr de eerste voetballessen van zijn vader

Let op de techniek en de curve richting de bloempot

Hebt u nog contact gehad met Jack Reynolds?

Ja, Jack Reynolds heb ik nog gekend, maar hij was in onze tijd natuurlijk al een oude man. In onze ogen helemaal. Jack was een hele fijne, nette, aardige kerel. Als je hem zocht, dan zat hij altijd in het stookhok. Dan had hij twee, drie truien aan want hij had het altijd koud. Daar in het hok kon je lekker met hem praten. Ik was altijd vroeg, want ik vond hem hartstikke leuk. Die kon verhalen vertellen over mijn vader, want die had hij ook meegemaakt. Wij kwamen uit de junioren, waren een jaar of 17, en dat was een goede lichting.

Was het nog voor je lol voetballen, of merkte je wel dat het toch wat hoger werd?

Wij voetbalden nog echt voor de lol. Maar als je bij Ajax speelde moest je daar wel serieus mee omgaan, anders bereikte je niks. Er moest altijd gewonnen worden. Wij trainden 2 à 3 keer in de week. Zoals de amateurclubs nu trainen, zo trainden wij vroeger ook.

Als je in het tweede speelde, had je dan ook contact met spelers uit het eerste?

Jawel, natuurlijk wel, maar daar keek je wel tegenop. Potharst, Gerard van Dijk, ik was zelf nogal gecharmeerd van Guus Dräger. Maar een echte favoriet had ik niet. Ik had een voorbeeld, dat was Billy Reid, een stopper-spil uit Engeland. Daar kon ik me echt over verbazen, hoe hij dat allemaal deed. Ik heb hem wel een beetje geïmiteerd. Dat was een typische Engelse voetballer: van dik hout zaagt men planken en als ik er sta dan kom je maar langs me. Dat sprak me wel aan, het is een oplossing.

U zat nog maar net bij Ajax, toen ze net na de Oorlog meteen kampioen werden, in 1947.

Daar was ik nog niet bij, dat was nog in de pure amateur-tijd. Ze speelden toen in het Arsenal-shirt, daar had Gerrit Keizer voor gezorgd. Met echte Engelse broeken ook, die grote, brede broeken. Heerlijk vond ik dat. Gerrit was doelman. Ze speelden toen met Potharst, Rinus Michels, Jany van der Veen, Joop Stoffelen, Gerrit Fischer, Gé van Dijk, Gerard Bruins, die speelden het spelletje waar je tegenop keek. Fischer was ook een goeie rechtsbuiten, die was snel. Dat is een van de weinigen geweest die op snelheid kwam, en dan die snelheid aan kon houden en nog precies voor kon zetten. En hij kon schieten! Er zijn nog wel wat beelden van bewaard gebleven, maar niet veel. Dat was in die tijd nog niet.

Wat voor type elftal was het?

Ajax heeft altijd goede teams gehad, dat blijkt dus wel. En altijd aanvallend voetbal gepropageerd. Daar is Ajax eigenlijk niks mee veranderd. Toen andere ploegen het stopper-spil-systeem gingen voetballen, speelde Ajax nog "aanvaller-spil". Maar toen mijn vader afviel was dat snel over, want hij had het gewoon vertikt om "stopper-spil" te spelen. De aanval is de beste verdediging. En in weze zit dat er heden ten dage nog in. Je hebt altijd verschil van spelers, maar je hebt altijd goede spelers.

Aan het eind van de jaren '40 werd de te vroeg overleden aanvoerder van Ajax door zijn familie geëerd

In de jaren '50 debuteert Wim Anderiesen jr in het eerste elftal van Ajax

Wim Anderiesen jr (rechts) steunt zijn keeper Eddy Pieters Graafland / BVC Amsterdam - Ajax 1-5, 19 mei 1957

Wat voor type was Rinus Michels als speler?

Dan zou ik Wim Bleyenberg moeten noemen, hij was snel en hij kon heel goed koppen. En hij zag het spel. Maar je zag toen absoluut niet dat hij later een prima trainer zou worden. Hij was niet zo serieus, meer een lolbroek.

En iemand als Joop Stoffelen?

Joop was een technische voetballer, een beetje traag. Maar een goede kanthalf. Ik geloof dat hij 50 keer reserve is geweest voor het Nederlands Elftal. Dat is bijna een record, en ik geloof dat Hans Boskamp ook zoveel keer op de bank gezeten heeft. Ze hebben wel in het team gestaan, maar meestal kwamen ze net niet aan de bak. Maar dat waren typisch spelers die goed voor een team waren. Vlot van de tongriem, leuke kerels, ze wisten moppen te vertellen, ze hielden de gang erin. En die hadden ze er graag bij.

In 1947 ging het eerste elftal naar Noorwegen en Zweden, had het tweede elftal ook wel eens van dergelijke reizen?

Het tweede elftal niet, nee, nooit, en de jeugd ook niet. We hadden wel toernooien in Nederland zoals bij Blauw Wit. We speelden niet in het buitenland, maar buitenlandse ploegen kwamen wel hier naar toe. Zo heb ik nog ooit eens tegen Rik Coppens gespeeld, de bekende Belgische midvoor. We speelden b.v. in Apeldoorn, op het Pinkstertoernooi, toen was dat nog niet zo dat je naar het buitenland ging. Dat duurde dan 2 dagen. Maar met het Amsterdams Jeugdelftal gingen we naar Liverpool, en toen we terugkwamen moesten we gelijk door naar het Blauw Wit-toernooi. Dat moet in 1946 geweest zijn. Dat was mijn allereerste keer, een hele ervaring. Dat was nog in mijn VVA-tijd, toen speelden we tegen de jeugd van Liverpool. Liverpool Schoolboys heette dat. En het jaar daarna gingen we er naar toe. En dat was natuurlijk spannend, je moest via een bepaalde route varen want er lagen nog mijnen in zee. Eerst met de boot naar Londen, en toen met de trein naar Liverpool. We kwamen daar op de dag van de Cup Final, en ze hadden kaarten voor ons. Maar wij moesten nog door naar Liverpool! Dat was wel jammer, maar het was wel een hele gezellige reis. Allemaal jongens van 15-16 jaar. We hebben in Everton toen gespeeld, en eentje op het schoolveld. Dat was het gezelligst, want bij Everton was het een lege bedoening. Normaal zaten daar 60.000 mensen, en toen misschien 1.000. Maar het was een hele ervaring, je keek je ogen uit. Je komt daar binnen, en dan kom je in een heel groot kleedlokaal. Overal zaten knopjes, maar de meesten van ons spraken geen Engels. Dus werd er op alle knopjes gedrukt en dan keek je maar wat er gebeurde. En als er dan wat kapot ging of was dan werd dat meteen gerepareerd. We hadden een leuk elftal, Hans Boskamp deed mee en een aantal jongens van Blauw Wit. Het was een mix van Amsterdamse elftallen. We hadden geen trainer, maar wel een begeleider. En voor de rest moest je maar voetballen. Dat stelde allemaal niks voor. We sliepen bij ouders van onze tegenstanders. Maar ons Engels stelde helemaal niks voor. We zijn er een week of 10 dagen geweest en aan het einde kon je toch alles goed verstaan. Dat verbaasde me zelf. Maar de tweede wedstrijd was het leuks, toen was er al die schooljeugd. En het was allemaal heel sportief. Ze gunden je ook nog wat. De eerste wedstrijd wonnen we geloof ik met 4-0, en de tweede speelden we met 1-1 gelijk. Toen speelde ik linkshalf. Bij Ajax speelde je alles, daar ben ik er ook als rechtshalf ingekomen. Maar meestal speelde ik als spil, Ajax vond ook dat ik daar moest staan. Daar had mijn vader ook gestaan. Maar het was ook wel mijn plekkie.

U speelde in de jeugd van Ajax in de jaren 50. Wat weet u nog van 1950, het jaar waarin Ajax 50 jaar bestond?

Ze hadden een revue, en dat was hartstikke leuk. Dat was in Bellevue, daar was mijn moeder ook nog bij. Het hele eerste elftal trad op. En nog een paar leuke jongens die konden zingen. Jan Looyen zong, mijn vrouw kent alle liedjes nog. Er was ook maar een speler die afgevallen was, dat was mijn vader. Er was een soort van monument op het toneel gemaakt, en mijn moeder wist van niks. Dat was een hele vertoning, ze trok helemaal wit weg. Maar het was wel verschrikkelijk mooi. Mijn vrouw Riek en ik zijn in 1951 getrouwd, maar toen was ik al niet meer bij Ajax. Ik zat toen bij ZVC, een club die mijn vader trainde in de oorlog. Ajax stelde me niet meer op, en dus vond ik dat ik weg moest gaan. Maar een paar jaar later kwam het betaalde voetbal en toen ben ik toch weer terug gegaan naar Ajax.

Het elftal van Ajax dat halverwege de jaren '50 weer aan de landstitel zou helpen, met onder meer Ger van Mourik, Gerard van Dijk, Rinus Michels, Piet van der Kuil en Eddy Pieters Graafland

Wim Anderiesen jr in actie tijdens Vasas Budapest - Ajax (4-0), Europa Cup voor Landskampioenen 1957/1958

Met Anderiesen als vaste basisspeler wist Ajax zich meerdere keren te plaatsen voor het Europa Cup-toernooi

U debuteerde op 11 maart 1951, Ajax - Heracles. Was U nerveus?

Ik kon niet nerveus zijn, want ik was reserve. Ger van Mourik brak zijn been in de eerste minuut. Ik kwam nog aanlopen of er werd al om me geroepen. En dan sta je ineens op het veld. Er was geen tijd meer om nerveus te worden. Je mocht toen alleen nog maar invallen bij blessures, voor de rest was het een ellende als je reserve stond. Je moest echt wat hebben voordat je uit mocht vallen. Af en toe werd er natuurlijk toneel gespeeld. We hadden altijd Engelse trainers, maar er is ook een Oostenrijker geweest: Karl Hummenberger. Dat was de beste trainer, dat was echt een voetbaldier. Dat heb je bij sommige mensen, dat voel je. Hij was vaak met je bezig, en hij kon trots op zijn spelers zijn. Hij was helemaal Ajax. En die mening deelden de meeste spelers, niet alleen ik.

In die tijd speelde U tegen clubs als Gooische Boys, Hengelo, etc. Clubs waarvan je nu niets meer hoort. Waren er clubs bij waarvan u nu zegt: daar speelde je lekker tegen?

Och, dat heb je altijd, dat heeft elke speler. In een bepaald stadion voetbal je lekker. Maar je hebt ook stadions waar je een bloedhekel aan hebt. Ik speelde natuurlijk nooit slechte wedstrijd, maar de minder goede wedstrijden..... Ik vond Roda een rotveld, Utrecht bij DOS was ook een rotveld, NEC ook. Maar bij Sparta ging het altijd lekker, als een tierelier.

Met het eerste speelde u vaker internationale wedstrijden.

In het Olympisch Stadion heb ik tegen Hapoel Tel Aviv gespeeld, dat was een oefenwedstrijd. Maar daar kwam weinig publiek op af.

Meestal speelde Ajax in De Meer, maar ook af en toe in het Olympisch Stadion.

Dat was eigenlijk het veld van Blauw Wit. Maar omdat Ajax zo succesvol was toen was ons stadion te klein. Ajax had toen ook nog geen licht! Alle avondwedstrijden moesten we daarom in het Olympisch Stadion spelen. Dat was niet zo erg, na een tijdje was dat ook je eigen veld geworden. Maar ik vond De Meer altijd veel knusser. De mensen zitten er dicht op, ze zitten zowat op de zijlijn. Er werden zelfs gewone stoelen bij gezet. Maar dat gebeurt ook in het Olympisch Stadion. De wielerbaan, de sintelbaan, dat staat allemaal vol. Dan zaten er 65.000 mensen. Maar De Meer was echt "thuis". Later toen ik in Amsterdam werkte, kwam ik nog een keer langs het stadion en zag ik dat ze aan het trainen waren. Toen ben ik nog een keer naar binnen gereden. Ik kwam binnen, en Tonny Pronk stond te schreeuwen. En toen dacht ik: "Wat is dit stadion een gedrocht geworden." Al die bijgebouwen en zo. Dat was in mijn tijd niet. Je had een overdekte en een onoverdekte tribune, en staanplaatsen achter de doelen. Owee, als je slecht gespeeld had en het publiek het daar niet mee eens was. Dan moest je langs de tribune. Vroeger had je van die zittinkjes, van die kussentjes. Dan moest je wel bukken.

Vroeger speelde je eerst de competitie, en dan nog een nacompetitie voor het kampioenschap van Nederland.

Je had toen vijf competities, West 1, West 2, Zuid 1, Zuid 2 en Noord-Oost. En iedereen had zijn eigen afdeling. Als je daarin kampioen werd deed je mee aan de competitie voor het kampioenschap van Nederland. De competitie was 18 wedstrijden, en dan kwamen er nog 8 wedstrijden bij. Voor de beker speelde je bijna niet, dat stelde toen helemaal niks voor. Je had dan ook nog de wedstrijden tegen AFC voor de AROL-beker, maar voor de KNVB-beker was weinig interesse.

In 1960 speelt Ajax in de eerste ronde van de Europa Cup tegen Fredrikstadt. Wim Anderiesen is dan nog steeds aanvoerder./ Fredrikstadt - Ajax 4-3, 31 augustus 1960

Tussen 1951 en 1960 was Wim Anderiesen jr actief speler van Ajax 1

In 1954 kwam er officieel betaald voetbal in Nederland, ook bij Ajax. Wat kunt U zich daar nog van herinneren?

Ik ben nog een jaar amateur geweest, want Ajax gaf me niet meteen een contract. Maar er is over dat profvoetbal in het begin de nodige trammelant geweest. Er werd met stakingen gedreigd. De spelers vonden het natuurlijk een prima idee. Want je ging voor je plezier voetballen en ineens kreeg je daar geld voor. Dat kon niet beter. Maar voor de clubs was het een enorme omslag. Denk maar in: voor een piekie zat je op de tribune bij Ajax, en ineens moesten ze spelers gaan betalen. Hans Boskamp ging al eerder als prof aan de slag bij Amsterdam, de Zwarte Schapen. En Alkmaar kwam voor mij. Maar mijn moeder heeft dat afgeketst, want mijn vader zou dat nooit hebben goedgevonden. Ik had best naar Alkmaar gewild, maar Ajax was toch korter bij. Dus ging ik het jaar daarop naar Ajax. Maar ik heb 3 seizoenen bij ZVC gespeeld, en dat was een competitie met KFC, Volendam, Den Helder, ZFC, dat was allemaal in de klei. Die gingen ertegenin, daar leerde je het wel.

Met de komst van het betaalde voetbal veranderde er in wezen maar weinig, alleen werd je wel betaald. We moesten wel meer gaan trainen, dinsdag, woensdag, donderdag, soms zelfs op de vrijdag. ’s Maandags moest je aanwezig zijn, dan gingen we de sauna in en werden gemasseerd. En alles in de avonduren want we werkten nog gewoon. Ik zat toen nog op kantoor, ik was loonadministrateur. Maar wat verdiende je toen? Ik verdiende bij Ajax net zoveel. Dus wat dat betreft was het voor ons wel lekker. Wij woonden gelukkig dicht bij het veld, we hadden geen auto dus moest ik elke avond op de fiets naar de training. Wij hadden als spelers allemaal het idee van: we voetballen en we krijgen nog geld toe. Je hoefde geen contributie meer te betalen. Dat is in het begin nog wel geprobeerd.

Wat weet u nog van uw eerste kampioenschap, in 1957?

Dat is nog een hele geschiedenis geweest. Niemand had vertrouwen in het team, en ook de trainer had zijn bedenkingen over het elftal dat hij had. Hij zei dat we anders moesten gaan voetballen dan we gewend waren, wilden we ons handhaven. Dat betekende dat we verdedigend gingen spelen. Dat hebben we dat seizoen gedaan. En toen de lijn erin zat wonnen we acht wedstrijden op rij met 1–0. En toen zei Jack Reynolds: “Als we niet uitkijken worden we nog kampioen ook.” Maar moet je nagaan: geen vaantje of niks, helemaal niks hebben we gehad. En daar is ook geen bordje van. Ze vonden dat we on-Ajax gevoetbald hadden. D’r zal wel een etentje geweest zijn, onder in de zaal van De Meer. Daar werd toen gebasketbald in die zaal. Of we zaten boven in het restaurant. Dat kampioenschap wilden ze zo snel mogelijk vergeten. Heel gek eigenlijk. Eerst zeggen dat het elftal zo slecht is dat we moesten uitkijken dat we niet degradeerden, en dan wordt je kampioen en zeggen ze dat je het niet goed gedaan hebt. We hebben wel een vaantje gekregen van het Schaduw Elftal. Dat waren 12 zakenmensen, 11 spelers en 1 reserve. En die organiseerden van alles voor ons.

Eén van de gevolgen van het kampioenschap was dat Ajax het seizoen daarop Europa Cup speelde, met wedstrijden tegen Wismut Aue en Vasas Boedapest. U moest vrij nemen van het werk om mee te kunnen gaan. Ging dat makkelijk of zat het werk wel eens in de weg om te kunnen gaan voetballen?

Dat zou kunnen, maar mij heeft het nooit in de weg gezeten. Ik had een goede baas, die vond het wel leuk eigenlijk. Jazeker, er waren jongens die niet mee konden. Niet veel, maar het kwam wel voor. Ik kan alleen uit eigen ervaring spreken, maar ik vond het wel leuk om naar het buitenland te gaan. Maar je hebt eigenlijk geen idee waar je mee bezig bent. Europa Cup voetbal draaide pas 1 of 2 jaar. Als je doorgaat dan vind je dat wel leuk. En het bracht ook weer extra geld in het laatje, al moesten we daar ook nog voor knokken.

Als het nog niet speciaal was, waren dan de wedstrijden tegen Feyenoord of PSV wel belangrijker?

Feyenoord wel, PSV toen niet. De beslissingswedstrijd tegen Feyenoord staat me nog goed bij. Maar het mooiste wat ik ooit gehoord heb, we gingen met drie of vier invallers naar Feyenoord toe en we wonnen die wedstrijd met 5–0. Ik geloof dat Guus Dräger er een stuk of drie maakte. En op het laatst zong het Rotterdamse publiek: “Geen woorden maar daden, leve Ajax 1.” Dat zal nu niet meer gebeuren. De wedstrijden tegen Feyenoord waren de krenten in de pap. Al stond de een bovenaan en de ander onderaan, je kon er nooit iets van zeggen. Ik heb er ook eentje met 6–3 verloren. In 1960 speelden we twee keer achter elkaar tegen elkaar. Het was de laatste wedstrijd van het seizoen, die we met 3–1 of 3–0 verloren. Feyenoord dacht dat ze wel kampioen zouden worden, want op de helft van de competitie hadden wij nog ruim bovenaan gestaan. Ik meen dat we toen 7 punten los stonden, dat kon je toch niet meer weggeven. Nou, wij wel! Ik was aanvoerder, en ik had gezegd dat we met het 60-jarige bestaan de club het mooiste cadeau zouden geven in de vorm van het kampioenschap. Maar we verloren dus in Rotterdam, al wisten we dat er dan nog een beslissingswedstrijd zou volgen want het doelgemiddelde telde niet. We kregen dus 2 kansen voor een dubbeltje. Het zijn twee heel verschillende wedstrijden geweest. We hadden het beste elftal sinds de vijftiger jaren, maar voetbal zat er niet meer in. Ineens liep het niet meer. En daar kun je niks aan doen. In die beslissingswedstrijd liep het ineens als een trein, we scoorden als een gek. We hadden dat seizoen toch dik 100 doelpunten gemaakt. Het is soms gek, dan sta je in de rust met 1–0 achter, en dan lijkt het net of de prop er in de rust is uitgehaald en dan loopt het ineens. Die wedstrijd was mijn hoogtepunt bij Ajax. Dat is de mooiste wedstrijd die ik gespeeld heb. Ten eerste omdat ik aanvoerder was, en omdat het tegen Feyenoord was. Maar het gekke is dat ik twee keer kampioen ben geweest, in 1957 en in 1960 en beide keren was het op Hemelvaartsdag en beide keren werd de wedstrijd in het Olympisch Stadion gespeeld. Beide keren keken we tegen een 1–0 achterstand aan, en beide wedstrijden hebben we met 5–1 gewonnen. En beide keren scoorde de middenvoor drie doelpunten.

De trip naar Zuid Afrika is ook een heel verhaal.

We zouden een wedstrijd spelen tegen Pretoria. We zijn ook aan die wedstrijd begonnen, en het was een zogenaamde “Nederlander” die fluit. Hij sprak wel Nederlands maar hij was geen Nederlander. Die Zuid Afrikaner konden er echt helemaal niks van. Dus wij deden een aanval en we maakten een goal. Ik stond helemaal op de middenstip, ik deed niet eens meer mee. Maar hun middenvoor stond nog een eind achter me. Er kwam een lange trap naar voren, en ik riep meteen dat het buitenspel was. Maar van die scheids moesten we doorvoetballen. Een tijdje later kregen we een corner tegen, Eddy PG komt eruit en stompt de bal weg. Floot de scheids voor “hands”. Echt gebeurd. We hebben toen de bal aan de tegenpartij gegeven en zijn zelf met onze armen over elkaar staan kijken. De ellende was dat de Nederlandse ambassadeur er zat, en die schaamde zich drie keer in de rondte. Toen hebben ze het meest simpele gedaan, ze pakten de hele achterhoede. Ger van Mourik was toen de aanvoerder en die mocht geen aanvoerder meer zijn. Cor Geelhuizen en ik kregen 10 wedstrijden schorsing, en Eddy PG kwam eraf met niks omdat hij naar Feyenoord ging. Hij is ook eerder weggegaan toen uit Zuid-Afrika. Het was de verste reis die ik met Ajax gemaakt heb, en het was hartstikke leuk. Ten eerste de temperatuur, het was toen in Nederland toch winter en daar was het heerlijk. We hebben daar gespeeld tegen de Springbokken, dat is het nationale team. En ook nog tegen een Zweeds team, dat was daar toen ook op tournee. En in Pretoria hebben we dan die wedstrijd gespeeld. Je snapt nu niet meer dat er zo’n ophef werd gemaakt over zo’n oefenwedstrijdje, maar je leverde wel 10 wedstrijden in, dat vonden de vrouwen niet echt prettig. En je kreeg het pas thuis te horen. Kreeg je thuis ook nog te horen: “Jullie hebben daar mooi de beest uitgehangen.” Er is toen gewoon een gemeen spelletje gespeeld. En uiteindelijk waren Cor Geelhuizen en ik de klos. Daarna zijn we nog naar Lauren ς o Marques geweest voor een wedstrijd tegen die zwarte jongens, en die liepen nog op blote voeten. Om twee uur ’s middags, dat was hartstikke heet, en dat is niet gezond voetballen. Dat Zweedse elftal was Sandvikens IF, daar speelden we gelijk tegen. Van de Springbokken wonnen we, en dan was er dus nog die gekke wedstrijd in Pretoria. Het is een heel mooie tocht geweest. Overal zijn we geweest, de Krüger Wildtuin zijn we in geweest, daar zijn we dwars doorheen gegaan. We kregen toen kleding van Ajax, met het logo op de jas. Dat was toen heel wat, je liep allemaal in dezelfde pakken.

Wat is uw hoogtepunt uit uw periode bij Ajax?

De beide kampioenschappen, in 1957 was het geen groots elftal wat voetbal betreft maar het was zo’n geheel. Voor elkaar gaan, niks was te weinig en niks was teveel. Dat was echt een grandioos team. Gé van Dijk, Klaas Bakker, beide een beetje teruggetrokken want ze konden niet meer zo hard. Voor hadden we Loek den Edel, Piet van der Kuil, en Willy Schmidt. Ik weet niet of Wim Bleyenberg er toen al was. Maar het was ook de verdediging, we waren de sterkste verdediging van Nederland. Maar we speelden geen van allen in het Nederlands Elftal. Ger van Mourik heeft wel een tijdje in het Nederlands B-Elftal gezeten, maar geen een keer bij het Nederlands Elftal. Al heeft hij daar wel mee getraind. Op een gegeven moment zei Humenberger dat ik me gereed moest zouden want ik zou met het Nederlands Elftal tegen Schotland spelen. Cor van der Hart was geblesseerd en als hij niet speelde zou ik spelen. Maar Cor speelde, hij vroeg: ”Wie speelt er als ik niet speel?” En daar ging mijn interland.

Wim Anderiesen jr kijkt met veel plezier terug in zijn Ajax-plakboeken

Koninginnedag 1957, wedstrijd Ajax – PSV t.b.v. de Kankerbestrijding. Was dat iets speciaals?

Dat was wel grappig, vooral voor de vrouwen. De bewaking was nog niet zo streng, en Prins Bernhard zat twee banken voor ons. Maar hij zat zowat de hele wedstrijd te slapen. Maar het was wel een alleraardigste man om zo te zien. Tegenwoordig kom je daar helemaal niet meer bij in de buurt, maar vroeger was dat nog niet zo streng.

U heeft één doelpunt gemaakt in de competitie.

Ja, tegen Fortuna, een schitterend doelpunt. Dat was in de uitwedstrijd, ik was met een corner meegelopen om de bal erin te koppen. Die bal rolde en kwam voor de voeten van Cor van der Hart, en dat was altijd een blufketel. Hij maakte een schijnbeweging en toen de bal bleef liggen trapte ik ‘m er keihard in.

U speelde tot 1961 bij Ajax, Ajax – NOAD was uw laatste wedstrijd. Hoe ging dat afscheid?

Ik kreeg nog een contract aangeboden, en ze lieten mijn contract dan gewoon doorlopen. Maar daar had ik niet zoveel zin in. Tonny Pronk stond ondertussen op mijn plekkie en ik had geen zin om in het tweede te lopen voetballen dus zei ik dat ik ermee ging kappen. Maar de jeugd heeft de toekomst. Ik zou eerst trainer worden bij OVVO, ik mocht daar een proeftraining geven en kreeg zelfs handgeld. Maar mijn vrouw vond het beter als ik nog een club zou zoeken en zou gaan voetballen. Er was interesse van een paar clubs, o.a. De Graafschap. Maar uiteindelijk is het Scheveningen/Holland Sport (= SHS) geworden. Daar heb ik nog 4 leuke jaren gehad. En zodoende zijn we in Den Haag terecht gekomen. We hebben daar nog 12-13 jaar gewoond.

<<< Terug naar startpagina